landbouw

Een groene revolutie. . . ? Ik dacht het niet.

Sinds 1959 is het Nederlandse Ministerie van Landbouw beheerd door CDA politici. Uitzonderingen zijn de Paarse kabinetten Kok I en II, toen de VVD (I) en D66 (II) het ministerie beheerden. In het kabinet Rutte II was er geen ministerie van Landbouw, maar viel landbouw onder Economische Zaken (Minister Kamp, eveneens CDA). Het hoeft derhalve geen verbazing te wekken dat er aan de verduurzaming van de landbouw (veeteelt en akkerbouw) vrijwel niets is gedaan, en wat er wel is gebeurd is het resultaat van het initiatief van een relatief kleine groep van individuele boeren.

Ook in Europa komt de verduurzaming van de landbouw achteraan. Het budget voor het Europese landbouwbeleid (GLB) is voor de nieuwe begrotingsperiode 365 miljard euro. Ter vergelijking: het EU-fond LIFE, gericht op natuur en milieu moet het in diezelfde periode doen met 1,8 miljard. Nu werd en wordt het GLB opgetuigd met mooie groene doelstellingen, maar de uitwerking daarvan wordt overgelaten aan de lidstaten – er is nauwelijks dwingende Europese regelgeving. De Europese rekenkamer heeft in 2008 en opnieuw in 2017 vastgesteld dat daar in de praktijk weinig of niets van terecht komt. De belangen van de traditionele landbouw zijn te groot en te goed georganiseerd; alles verzandt in betekenisloze compromissen (C), doormodderen (D) en afhouden (A). Vandaar de naam CDA. Al moet voor de volledigheid vermeld worden dat enige reductie van de CO2 emissies de laatste twee jaar wel heeft plaats gehad. Maar de landbouw blijft ook in 2020 nog 14 % van de CO2 uitstoot veroorzaken. Erger is dat de landbouw een substantiële bijdrage levert tot het uitsterven van insecten en weidevogels – zie mijn blog van twee weken geleden. (Eerlijkheidshalve moet natuurlijk wel in beschouwing worden genomen, dat de drijvende kracht achter de landbouw de consument is, die goedkoop voedsel, waaronder vlees blijft eisen. Daarom is juist een krachtig overheidsbeleid nodig).

Het CDA moddert natuurlijk niet alleen maar door op het gebied van de landbouw. Daarom werd gisteren mijn hoop gewekt toen ik uit Trouw vernam dat vooraanstaande CDA-ers een manifest hadden gepubliceerd, waarin ze oproepen tot een krachtiger CDA-geluid en -beleid. Ik heb het manifest intussen gelezen, maar het viel me bitter tegen. Veel mooie woorden, maar zeer weinig concrete voorstellen. Het behandelt zeven beleidsterreinen, maar landbouw (en onderwijs) zijn daar niet bij.

Ik hoor via een directe bron dat minister Schouten (CU) een verademing is na alle stagnatie op het ministerie van landbouw, en dat ze van goede wil is en uitstekende ideeën heeft. Je moet echter van goede huize komen om het landbouwblok te doorbreken, of op zijn minst mee te krijgen. Niet alleen in Nederland, maar ook in Europa. Ze zal dat niet alleen voor elkaar kunnen krijgen; ze heeft brede politieke en maatschappelijke ondersteuning nodig.

Een landbouwrevolutie is eerder bewerkstelligd door Eurocommissaris Mansholt, waar we de huidige efficiëntie van de landbouw aan te danken hebben. Het kan dus wel. Helaas had zijn beleid een aantal ongunstige neveneffecten, zoals Mansholt achteraf ook zelf constateerde. Ik hoop dat het minister Schouten beter vergaat, en dat ze achteraf geen spijt zal hebben van wat ze heeft gedaan of nagelaten. En wij . . . op zijn minst kunnen we ons consumptiegedrag aanpassen, en onze bereidheid tot uiting brengen om meer voor ons voedsel te betalen.

De feiten in dit blog ontleen ik aan een artikel in de Groene Amsterdammer van 28 februari.

Datum Door erik.van.praag 1 Reactie

En de boer hij ploeterde voort. . . .

Het gaat niet goed met onze landbouw, ook al zijn we wat dat betreft een van de grootse exporteurs ter wereld. Het Europese landbouwbeleid, dat destijds op initiatief van Eurocommissaris Mansholt is opgezet, is feitelijk op een fiasco uitgelopen. (Mansholt heeft dat trouwens toegegeven na zijn pensionering en had er bitter spijt van). Het beleid van schaalvergroting heeft wel geleid tot een hogere productie en een relatieve verlaging van de voedselprijzen (al ging dat niet zonder subsidie). Maar het heeft ook geleid tot een enorme aantasting van het milieu (zowel de natuur als het klimaat betreffende), het heeft boeren gedwongen tot het doen van te grote investeringen en ze daardoor afhankelijk gemaakt van banken. Kleinere bedrijven konden het uiteindelijk niet bolwerken, en zijn in grote getale opgeheven. Zowel de schaalvergroting als het moeten opgeven van het traditionele boerenbedrijf heeft geleid tot stress en persoonlijk leed (Daar zijn prachtige documentaires over gemaakt, te onzent door Jos de Putter, Huib Schoonhoven, Geertjan Lassche, en in Frankrijk Les fils de la terre, door Edouard Bergeon; en er is een mooie roman over geschreven: Boven is het stil van Gerbrand Bakker*). Er is veel latente armoede onder boeren. Het zelfmoordcijfer onder de landbouwbevolking is ook heden ten dage het hoogste van alle bevolkingsgroepen. Verder heeft het beleid geleid tot boterbergen en melkplassen, tot bodemdegradatie en verstoring van de waterhuishouding en tot verstoring van ecosystemen en afname van biodiversiteit.  De Europese landbouwsubsidies vormen ook heden ten dage een zware belasting voor de Europese begroting (ca. 45 %). Tenslotte is een effect van het landbouwbeleid dat de consument gewend is geraakt aan (te) lage voedselprijzen. Er valt nog veel meer negatiefs over te vertellen (zie op internet bij Europese landbouwsubsidies), maar dit is voorlopig wel genoeg.  En het ergste is dat het Europees parlement  op het punt staat dit noodlottige subsidiebeleid zonder fundmatele wijzigingen voor zeven jaar te verlengen – morgen als ik het wel heb. ZEVEN JAAR! Dat is toch niet te geloven.

Een tegenbeweging is ook op gang gekomen: de ontwikkeling van de meer kleinschalige biologische landbouw. Hoe waardevol dat ook is, dat kan waarschijnlijk geen oplossing zijn voor het voedselprobleem op wereldschaal, daarvoor is de productiviteit van de biologische landbouw toch nog te laag, en heeft de biologische landbouw vanuit klimaat standpunt ook wel nadelen. Al wordt deze stelling ook wel weer bestreden.

De vraag is natuurlijk of we ons bij de huidige toestand neer willen leggen. Laten we even aannemen dat dit niet het geval is, wat moet er dan gebeuren?

In de eerste plaats moet onze verbinding met de boeren hersteld worden. Heden ten dage is de boer voor de meeste stedelingen (en dat is in toenemende mate de overgrote meerderheid in veruit de meeste landen) een wat vreemde mensensoort, die bereid is allerlei primitieve taken (afgezien van de agrarische high tech dan) te vervullen en daarbij 80 uur te werken (vaak zonder vakanties) voor een slechte tot matige betaling. Heleen van Haaften heeft eens vastgesteld dat er een statistisch verband is tussen vervreemding van de boeren in een samenleving en de degradatie van de bodem. Het voert te ver om hier te onderzoeken waarom dat zo is, maar het is waar dat de vervreemding een feit is. Boeren voelen zich vaak weinig gezien en begrepen, en dat lijkt me terecht. Herstel van verbinding met de boeren lijkt me eerlijk gezegd niet te werken met programma’s als ‘Boer zoekt vrouw’ (daarin blijft de boer toch een beetje die vreemde mensensoort), maar contactprogramma’s tussen stedelingen en boeren, en goede voorlichting over wat er op het land gebeurt kan zeker een rol spelen.

In de tweede plaats zullen we onze landbouwmethoden drastisch moeten hervormen in organische richting (wat we hier ‘biologisch’ noemen) . Dit kan door regelgeving, door het geleidelijk (maar niet TE langzaam) afschaffen van het subsidiëren van de industriële landbouw en allerlei daarmee samenhangende bedrijven en conglomeraten, en door het belasten van industrieel geproduceerde landbouwproducten (een verdere vergroening van het belastingstelsel), of alledrie. In alle gevallen wordt ons voedsel duurder, dus dit proces moet gepaard gaan met voorlichting.

In de derde plaats moeten we ons realiseren dat we geen heerser zijn over de natuur, zelfs geen partner van de natuur, maar dat we er deel van uitmaken (unio mystica, nader uitgewerkt in mijn boek Voor niets gaat de zon op). Als we dat echt zouden beseffen, dan zou het gewelddadig omgaan met dieren en met grond ons persoonlijk pijn doen – en dat zouden we dan dus niet willen. Vandaar zouden we druk gaan uitoefenen om de bovengenoemde maatregelen te nemen: op onze regering, op onze vertegenwoordigers in het (euro)parlement. Dit proces – leren ervaren dat we deel uitmaken van de natuur – zou versneld kunnen worden door natuureducatie, recreatie, en confrontatie met de uitwassen van ons landbouwbeleid.

Maar de eerste stap is toch dat we het probleem onder ogen gaan zien, en het ons eigen maken als ons probleem, niet dat van iemand anders. Dan zullen we wel in beweging komen. Of niet natuurlijk, en dan blijft alles zoals het is (tot de wal het schip keert door een klimaat- of voedselcrisis). Hoe dan ook, het Europese behoudende landbouwbeleid wordt morgen weer voor zeven jaar vastgelegd, tenzij er een wonder gebeurt, en een grote fractie op het laatste moment alsnog omgaat. Maar waarschijnlijk is dat niet.  Zou dat nu echt niet te doorbreken zijn?

 

* Bron: Lizzy van Leeuwen, Groene Amsterdammer, februari 2013

Datum Door erik.van.praag 1 Reactie