Onlangs kreeg ik van mijn schoondochter het kinderboek Momo en de tijdspaarders van Michael Ende (de schrijver van het Oneindige Verhaal) omdat ik, zo dacht ze, daar wel geïnteresseerd zou zijn en daar wat mee zou kunnen op mijn blog. Daar had ze gelijk in, en dit blog is het eerste resultaat.
Het is een grappig, goed geschreven kinderboek dat al dateert uit 1973. Er is een musical en een film van gemaakt; toch kende ik het niet. Zoals ieder goed kinderboek is het ook heel leesbaar voor volwassenen. Het beschrijft hoe gewetenloze ‘zakenlieden’ een hele samenleving er toe brengen om tijd te (be)sparen, en deze daarmee vrijwel te gronde richten. Maar de kleine heldin Momo, het meisje dat goed luisteren kan, slaagt er in dit onheil uiteindelijk af te wenden.
Het is verbazend hoe actueel dit boek is. Ende – al in in 1973! – schept een wereld die bedrieglijk veel lijkt op onze dolgedraaide samenleving. Tijd vervult daarin de rol van geld. Je kunt het sparen, net als geld. De ’tijdspaarders’ vormen een opmerkelijke metafoor voor diegenen die in onze wereld de woekerpolissen en ondeugdelijke beleggingsproducten aan de man en vrouw brachten (en in bepaalde vorm nog steeds brengen). Niemand heeft ergens meer tijd voor, en kilte neemt de plaats in van aandacht en warmte.
Hoewel dit boek helemaal geschreven is rondom het begrip ’tijd’, is tijd in dit boek dus een metafoor voor geld. Tijd is geld, zoals de zegswijze luidt. In onze neo-liberale consumptiemaatschappij zijn we in een situatie terecht gekomen waar we, net als in het boek, veel tijd te kort komen. Onze materiële behoeften maken dat we alles steeds efficiënter willen doen. Dat lukt ook, mede door de ontwikkelingen op IT gebied, maar we vullen de daardoor vrijgekomen tijd steeds met nieuwe activiteit, en hebben dien ten gevolge altijd haast. Haast wordt een houding, zelfs in situaties waarin we genoeg tijd tot onze beschikking hebben. Ik neem mijzelf als voorbeeld. Hoewel ik al een ‘oude van dag’ ben, en mijn dagen in zekere zin geteld zijn, heb ik niettemin tijd in overvloed ter beschikking. Ik zou dus geen tijdsdruk moeten voelen. Maar toch ben ik soms gehaast, en geërgerd als ik voor een stoplicht moet wachten. Of neem ik te weinig tijd als ik ergens op tijd moet zijn, waardoor ik in de stress kom – en alles langer duurt. Als ik gehaast ben trek ik bijvoorbeeld mijn schoenveter in de knoop, of probeer ik met twee benen in één broekspijp te komen. Ik kan ook moeilijk wachten, in een rij bijvoorbeeld. Ik ben een ongeduldig man. Dat is zeker een persoonlijke karaktertrek, maar ik zie deze processen toch ook vaak om me heen. Hoe dit zij, velen, zeer velen, klagen over tijdtekort. In 1988 schreef ik hier al over:
Wij hebben altijd haast, en staan niet even stil, opdat onze ziel ons in kan halen. Wij hebben de kunst van het wachten verleerd. Zoals de I Tjing zegt:’Kracht laat zich gevaar niet overhaasten, maar neemt de tijd, terwijl zwakte erdoor in opwinding geraakt en het geduld verliest.’ En verderop: ‘ Het wachten in geen ijdel hopen, maar bevat de innerlijke zekerheid dat het doel bereikt zal worden.’ (5. Siu. Het wachten).
Tijd om eens wat dieper op dit begrip ’tijd’ in te gaan. Daarover meer in mijn volgende blog.

“As a punishment for his trickery, King Sisyphus was made to endlessly roll a huge boulder up a steep hill. The maddening nature of the punishment was reserved for King Sisyphus due to his presumptuous belief that his cleverness surpassed that of Zeus himself. Zeus accordingly displayed his own cleverness by enchanting the boulder into rolling away from King Sisyphus before he reached the top, which ended up consigning Sisyphus to an eternity of useless efforts and unending frustration. Thus it came to pass that pointless or interminable activities are sometimes described as Sisyphean.”
Ik wil het nu even niet hebben over ons erbarmelijk klimaat- en energiebeleid, maar voor nu over de arbeidsomstandigheden van grote groepen Nederlanders en andere ingezetenen. Wij zijn een rijk land met een bloeiende, groeiende economie, maar grote groepen profiteren daar niet van, zoals we allemaal wel weten. De lonen van de laagste inkomensgroepen en de verdiensten van grote groepen flexwerkers worden verhoudingsgewijs steeds lager, en de vermogens van de rijken en welgestelden groeien, terwijl de minvermogenden steeds armer worden en moeite hebben de eindjes aan elkaar te knopen. In een artikel van Mirjam de Rijk in De Groene Amsterdammer van 1 maart j.l. wordt bijzonder helder uiteen gezet met welke maatregelen, wetten en particuliere besluiten dit allemaal wordt gerealiseerd. We leven echt in een ouderwets kapitalistische maatschappij. Het is wat minder zichtbaar, omdat het algehele welvaartspeil veel hoger is dan aan het eind van de 19e eeuw en met name de relatieve welstand van de middengroepen en – nog steeds – de uitkeringen de armoede verdoezelen. Maar we gaan steeds meer naar Amerikaanse toestanden, waarbij het met één gezinsinkomen niet meer mogelijk is deel te nemen aan essentiële sociale en culturele activiteiten of met vakantie te gaan.
goed kon vinden. Opvallend was overigens dat al deze mensen daar niet bijzonder ontmoedigd door werden, maar er eerder in een kalme acceptatie wel vrede mee hadden. Ook dat geldt voor mezelf.
Het is nu twee weken later. Tijd om eens met enige afstand te kijken naar de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen.
Wat dat betreft vond ik de afgelopen campagne voor de gemeenteraadsverkiezingen onthullend. Deze campagne werd gedomineerd door mannen, zowel lokaal als landelijk. Ik heb natuurlijk lang niet alles gezien, maar het geneuzel en gereutel, de scheldpartijen en de verdachtmakingen waren meestentijds niet om aan te zien en te horen. Van wat ik gezien heb vielen me eigenlijk maar vijf politici in gunstige zin op: Lilian Marijnisse, Barbara Kathmann (PvdA, Rotterdam), Kees van der Staaij, Jesse Klaver en Vincent Karremans (VVD Rotterdam). Zij waren volgens mij de enigen die persoonlijke betrokkenheid paarden aan fatsoen en helderheid van argumenten met een hoog waarheidsgehalte. (Ik kan natuurlijk enkelen over het hoofd hebben gezien). Toch nog drie mannen – dus we hoeven niet te wanhopen.
Nog een weekje, en dan is er het referendum over de ‘sleepwet’. Voor of tegen?
In de verre toekomst is het misschien mogelijk om min of meer klimaatneutraal te vliegen, maar op middellange termijn zijn die technische mogelijkheden er niet. In de woorden van Paul Peters, lector duurzaam transport en toerisme aan de NHTV in Breda: ‘Ik heb allerlei scenario’s doorgerekend, maar er is geen enkel scenario denkbaar waarin we de opwarming tot twee graden kunnen beperken zonder het vliegverkeer te beteugelen. Het past gewoon niet.’ **) Dat lukt overigens ook op andere gronden niet, maar dat terzijde.
Intercontinentaal zouden we alleen moeten vliegen in het geval van ernstige familieomstandigheden. We kunnen echt niet meer voor ons plezier naar Afrika, Amerika, Azië en China reizen – heel jammer. Conferenties en zakelijke contacten moeten plaats vinden via videoverbindingen. Zelf had ik nog eens de droom om naar IJsland te gaan, maar dat zal ik moeten opgeven en uit mijn ‘bucket-list’ moeten schrappen. (Tussen haakjes: compenseren door bomen planten is een doekje voor het bloeden – maar dat stelpt het bloeden niet!). Als enkelen van ons stoppen met vliegen heeft dat in directe zin weinig effect, maar er gaat zeker een voorbeeldwerking van uit (Je ziet dat nu al met vleesgebruik). Op de wat langere duur zal dat resultaat afwerpen.